verhaaltjeverzinnen.nl
📖

Een bewaard verhaal

Assepoester en de Hapgrage Vogel

In het snottigste huis van Snottjesland woonden Assepoester, een meisje, en Milou de rare, een meisje, tussen wiebelende snotgordijnen en een brievenbus die bij elke brief luid niesde.

Snottjesland was een heerlijk kliederig land. De bomen hadden druppelende takken, de straatstenen veerden een beetje mee en iedereen die er woonde was van snot: dik snot, dun snot, glibberig snot of snot met piepkleine belletjes erin. Assepoester was helder en oplettend. Zij zag altijd wanneer een plas snot te diep was of wanneer de wind een dakgoot scheef blies. Milou de rare had juist de prachtigste vreemde ideeën. Ze sprak met stofpluizen, verzamelde niesgeluiden in lege potjes en kon met haar oren wapperen als ze nadacht. Op een ochtend zat Milou op het dak van het snottigste huis van Snottjesland. Ze hield een vergrootglas boven een snotdruppel en fluisterde: “Kijk, Assepoester! In deze druppel woont een piepklein regenboogje.” Assepoester wilde net omhoog klimmen toen de schaduw over de tuin viel. Het was geen wolk. Het was een reusachtige vogel met een kromme snavel, lange poten en veren die klapperden als honderd natte handdoeken. “Snóóót,” kraste de vogel tevreden. “Mijn lievelingshapje!” Hij streek neer op de wiebelende schoorsteen en keek gulzig naar het dorp. In de verte rolden snottjes in paniek achter struiken, onder bruggen en in omgekeerde emmers. De vogel pikte naar een lantaarnpaal, maar die bleek gelukkig van ijzer. “Poeh,” zei hij, “niet sappig genoeg.” Assepoester en Milou de rare waren dapper! “We kunnen niet alle buren verstoppen,” zei Assepoester. “Dan moeten we de vogel iets laten eten dat hij niet verwacht,” zei Milou, terwijl haar oren begonnen te wapperen. “Iets zó snotterig dat hij er zelf van moet niezen!”

Illustratie bij deel 1 van Assepoester en de Hapgrage Vogel

Assepoester en Milou renden het huis in. De voordeur plakte even aan hun handen vast en liet pas los met een beleefd plópje. In de keuken stond de beroemde snotklutsmachine van Milou: een oude wastobbe met een zwengel, drie trechters en een bel die alleen rinkelde als je hem niet aanraakte. “Wat hebben we nodig?” vroeg Assepoester. “Giechelgras voor kriebel in zijn keel, bubbelsnot voor zijn neus en een beetje peper uit de nieskast,” zei Milou. “Maar geen gewone peper. De peper die zingt.” Assepoester pakte twee lege jampotten en rende naar buiten. Bij de sloot knipte ze voorzichtig giechelgras, dat meteen begon te lachen: hihihi-há! Milou draaide ondertussen aan de zwengel. Uit de trechters kwamen bellen die naar aardbeien roken, naar sokken roken en één bel die heel beleefd “goedemiddag” zei. De zingende peper zat boven in de kast, achter een rij potten met labels als ‘Plakkerig bij maanlicht’ en ‘Niet voeren aan slakken’. Plotseling landde de vogel in de tuin. Zijn ene klauw zette hij op de schutting, zijn andere op de regenton. “Ik ruik een hele voorraad!” kraste hij. Hij boog zijn snavel naar het raam. Het glas trilde. Assepoester hield de pot met giechelgras omhoog. “Nu!” riep ze. Milou gooide het gras, de bubbels en de zingende peper in de machine. De tobbe begon te schudden. Eerst zachtjes. Toen harder. Toen danste zelfs de keukentafel een rondje. Uit de grootste trechter spoot een enorme, glanzende snotbol omhoog, recht door het open raam, de lucht in. De vogel deed zijn snavel wijd open. “Aha!” Hij hapte de bol in één keer op. Een seconde gebeurde er niets. De vogel knipperde. Zijn veren gingen omhoog. Toen klonk er diep in zijn buik een klein: “Lalalala… peper-pieper-paf!”

Illustratie bij deel 2 van Assepoester en de Hapgrage Vogel

“Hatsjiehoeoeoe!” niesde de vogel zo hard dat hij achteruit de lucht in schoot. Een wolkje kleine, glinsterende snotbelletjes dwarrelde over het dorp, maar ze waren zo licht dat ze op daken en bomen bleven hangen als feestversiering. De vogel probeerde boos te kijken. Helaas moest hij meteen weer giechelen. Het giechelgras kriebelde vreselijk in zijn keel. “Hihihatsjie! Stop ermee!” kraste hij, maar hoe harder hij probeerde ernstig te zijn, hoe grappiger zijn nies klonk. “Ik wilde alleen maar eten omdat ik al drie dagen niets lekkers had gevonden. In mijn bergdal groeien alleen stekelige spruiten. Die nies je terug uit je mond.” Assepoester keek naar Milou. Milou keek naar de vogel. “Je had het gewoon kunnen vragen,” zei Assepoester. De vogel liet zijn kop zakken. “Maar ik ben groot en iedereen rent weg.” “Dat komt doordat je roept dat je ons wilt opeten,” zei Milou vriendelijk. “Dat is niet je beste openingszin.” De vogel dacht daar even over na. “Hallo, ik heet Wapperbek en ik lust graag iets zachts?” probeerde hij. “Veel beter,” zei Milou. Assepoester riep de buren tevoorschijn. Eerst kwam de postbode uit een bloempot gekropen. Daarna rolde de bakker onder een bank vandaan. Al snel stond het hele dorp op het plein. Samen maakten ze voor Wapperbek een reusachtige snotpannenkoek, gevuld met zoete dauwdruppels en knetterende bessen. De vogel at heel netjes kleine hapjes. Bij elke hap zei hij: “Dank u wel,” zelfs toen zijn snavel vol plakte. Daarna gebruikte Wapperbek zijn brede vleugels om de glinsterbelletjes van de daken te blazen. De belletjes dwarrelden niet weg, maar vormden een enorme slinger boven het snottigste huis van Snottjesland. Milou stopte één niesgeluid in een potje voor haar verzameling. Assepoester hing een bordje aan de tuinpoort: ‘Hongerige bezoekers eerst aanbellen.’ Wapperbek las het hardop, niesde nog één piepklein keertje en lachte toen zo warm dat niemand meer bang voor hem was.

Illustratie bij deel 3 van Assepoester en de Hapgrage Vogel

Vanaf die dag kwam Wapperbek elke woensdag aanbellen voor pannenkoeken, en Snottjesland vond dat precies de juiste hoeveelheid avontuur.

Nieuw verhaal